Voor thema 4,3 heb ik twee arragementen gemaakt:
Wikiwijs: http://maken.wikiwijs.nl/78895/De_balans#!page-2094761
4.3.1) De docent toont aan dat hij gebruik maakt van diverse vindplaatsen van digitaal leermateriaal en in staat is daaruit ander leermateriaal te arrangeren.
Het grootste platform van digitaal onderwijsmateriaal is YouTube. Daar staan vreselijk veel informatieve en instructie filmpjes. Daarnaast heb ik het internet geraadpleegd voor diverse afbeeldingen. Door afbeeldingen te zoeken die aansluiten op de belevingswereld is de aandacht beter bij de les en wordt het begrip duidelijker.
4.3.2) De docent toont aan dat hij digitaal leermateriaal kan aanpassen aan de kenmerken van de lerenden, waarbij rekening wordt gehouden met verschillen in niveau, interesse, tempo en wijze van leren.
Bij projecten (zoals toegelicht bij punt 4.1.3) kan je heel mooi inspelen op de belevingswereld en voorkennis. Bij die projecten mochten ze eigen invulling geven in de marketingmix. Bij groepjes die heel vlot gaan kan je aanzetten tot extra werk. Dat zij bijvoorbeeld nog meer bronnen afgaan op internet.
Er is bij die projecten veel rekening gehouden met de verschillende interesses en ik heb de leerlingen geprikkeld om eigen interesses in te brengen. Al moet ik eerlijk zeggen dat ik meer rekening had kunnen houden op het gebied van differentiatie.
Op mijn Wikiwijs pagina (http://maken.wikiwijs.nl/78895/De_balans#!page-2094761) heb ik een speciaal stuk toegevoegd van een extra opdracht voor leerlingen die sneller zijn. Daardoor differentier ik in tempo. Daarnaast kan ik van snelle/goede leerlingen meer eisen wat betreft de opdrachten.
4.3.3) De docent toont aan dat hij in staat is om digitaal leermateriaal aan te passen rekening houdend met beeldschermdidactiek.
Definitie van het begrip ‘digitale didactiek’:
'De kennis en kunde met betrekking tot het gebruik van ICT bij het faciliteren van het leren' (Simons, 2016).
Je moet bijvoorbeeld goed bij jezelf afvragen wanneer het gebruik van ICT zinvol is. Wat wil je er mee bereiken? Je kan bijvoorbeeld begrippen verduidelijken met voorbeelden die aansluiten op de belevingswereld. Of het niveau peilen door een Socrative of Kahout quiz.



